Trillingen
wo 05 juni 2019
By: Wouter
In: Stories
Tags: #verhaal #sci-fi

  Estimated read time: 15 min.


Trillingen

Ik heb lang gedacht dat het allemaal niks uit zou maken. Dat het niks uitmaakt wat ik doe of vind. Dat het niks uitmaakt of ik besta of doodga. Natuurlijk heb ik wel enige relevantie in deze wereld, maar om nou te zeggen dat ik het verschil ga maken dat is niet zo. Of in elk geval, dat dacht ik altijd. En natuurlijk is het niet zo dat ik nu ineens kan bepalen dat alles anders is en dat er geen ellende meer is in de wereld, dat niet. Ik heb een klein trucje geleerd, en probeer dat zo goed als ik kan toe te passen. Net als de bakker die zijn beste brood probeert te bakken, en de schilder die een mooi kozijntje aflevert probeer ik de mensen gelukkig te maken.

Het begon allemaal vorig jaar. Ik was alleen op vakantie en probeerde met zo min mogelijk mensen contact te hebben. Ik geniet er namelijk van als niemand me stoort, en als ik niet hoef te praten ben ik blij. Ik hoef dan niet te proberen om iemands bedoeling uit zijn of haar woorden te halen. En ik hoef niet te gissen of een meisje me leuk vind of gewoon aardig, of zelfs heel stom. Ik heb alle signalen wel eens verkeerd gelezen, en de angst om fouten te maken in normale interactie is best vermoeiend. Dus ik ga niet op reis naar verre vreemde oorden omdat ik graag iets van de wereld zie. Ik ga op reis naar een land waar niemand me verstaat zodat zij ook eens snappen hoe dat is. Als je een taal gebrekkig spreekt komt het vaak voor dat een gesprek ontaard in totale chaos. Die totale spraakverwarring kan me regelmatig verrassen. Ik kom op plekken waar ik helemaal niet naar op zoek ben en ik koop nogal eens iets wat ik niet besteld heb. Zo wilde ik eens een cola bestellen en eindigde ik de middag nogal dronken met een sugar-rush van een overdaad aan chocolade shotglaasjes. Ginjinha heette het spulletje en het is lékker!

Maar ik dwaal af. Ik was helemaal alleen en ik viel niemand lastig. Het was laat, na middernacht, en ik zat bij mijn tentje op een afgelegen hoekje van een kleine camping. Met een drankje en een boek was het goed toeven. Mijn gedachten dwaalden soms even weg van het boek wat ik voor me had liggen. Op een van die momenten kreeg ik de vraag om nog eens in te schenken. Voor ik het door had gaf ik antwoord.

“Inschenken? Goed idee.” Ik pakte de fles die naast me stond en gooide een scheut in mijn glas. En uit gewoonte schonk ik ook het glas ernaast vol. Pas toen ik dat gedaan had besefte ik me twee dingen; ten eerste praatte ik tegen niemand, en ten tweede had ik dat glas er niet zelf neergezet.

“Het zal wel,” ik hief mijn glas en proostte mijn imaginaire drinkebroer, “als ik dan toch als een waanzinnige tegen mezelf ga zitten praten, dan maar met een niet-bestaande vriend die me aanspoort om in te schenken.”

“Zijn we nu al bij de filosofische ‘besta ik wel of ben ik een verzinsel’ discussie aanbeland?”

Het verbaasde me eigenlijk helemaal niet dat ik een stem hoorde. Ik had wel gedacht dat ik ooit knettergek zou worden, alleen niet dat me dat nu zou overkomen. Het leek me een beetje jammer van een prima vakantie.

“Ik weet dat ik besta, en ik vraag me af waarom ik tegen mezelf zit te praten alsof ik tegen iemand anders praat. Ik regel zelfs drank voor mijn alter ego.”

“Ik weet ook dat jij bestaat,” echode het iets.

Nu begon ik me toch een beetje zorgen te maken. Ik had een echte conversatie met een deel van mezelf dat normaal gewoon zijn kop hield.

“Fijn, mag ik nu door met mijn boek?” Vroeg ik beleefd aan mezelf.

“Ja hoor,” zei iets, “je hebt geen keus want je hebt verder niemand om mee te praten, behalve mij dan.”

“En wie ben jij dan?” Mijn zorgen gingen nu ineens verder dan mijn eigen gekte, ik zag in een flits een toekomstvisie met ziekenhuizen, shocktherapie en heel veel injectienaalden en daarbij mijn lieve ouders die hun grootste zorg uit zagen komen. ‘Die jongste zoon van ze is knettergek, tssk, tssk, zal toch wel aan de opvoeding hebben gelegen.’

Het was even stil. Bijna voelde ik een soort trots. Trots dat ik mezelf klem geluld had. Tot ik het glas wat ik voor mijn andere ik had ingeschonken begon te bewegen. Het zweefde tot ongeveer een meter bij me vandaan en een eindje boven de grond kantelde het. De vloeistof die erin zat verdween in een zwart gat. Ik keek goed en zag een langgerekte schim liggend naast me. Alsof er iemand op een elleboog geleund naast me lag, met het gezicht naar me toe en de benen uitgestrekt van me vandaan. Nou ben ik niet bang aangelegd en de schim vertoonde tot nu toe geen enkel vijandig gedrag. De drank was voor de schim ingeschonken, al wist ik dat niet toen ik het deed, dus dat was geen diefstal en ik voelde me ook helemaal niet bedreigd. Eigenlijk zag ik in het hele gebeuren alleen maar een bevestiging van wat ik al langer wist. Dat ik compleet doorgedraaid was en waarschijnlijk mijn terugreis in een zelfknuffeljas achterin een ambulance zou maken, rechtstreeks naar een kliniek waar mijn snikkende familie me op zou wachten met goede bedoelingen en onuitgesproken verwijten. En dat was prima. Ik had het al zo lang volgehouden zonder iemand echt teleur te stellen, het mocht ook wel eens gebeuren, zeg maar. Ik zat te drinken met een schim, en daar was niks mis mee in míjn wereld.

Ik schonk de glazen nog eens bij en de schim begon te vertellen.

“Ik ben een schim,” voor ik een sarcastische opmerking kon maken stak hij een inktzwarte schaduwhand op en ging verder, “een gewone schim. Ik ben ervoor om mensen gelukkig te maken en doe mijn werk met wisselend succes. Vorige week heb ik een gesprek gehad met mijn manager en mijn teamleider. Het was dit jaar al het derde gesprek en al die gesprekken gaan over hetzelfde onderwerp. Ik presteer niet goed en kost wel … eh … geld. Het is niet echt geld zoals jullie dat hebben, het is iets waar ik geen woord voor heb dat jij kan verstaan, daarom noem ik het maar geld. Uiteindelijk kost ik meer dan ik oplever. En ik lever niet veel op omdat ik, volgens mijn teamleider, niet genoeg passie heb voor het gelukkig maken van mensen. In het eerste gesprek heb ik beloofd dat ik beter mijn best ga doen, maar ik had toen al geen enkel idee hoe dat moest. Toen raakte ik per toeval een persoon goed en die werd gelukkig. En dat was het laatste wat ik helemaal zelf gedaan heb. Mijn teamleider heeft me een paar keer een beetje gematst en ook een van de andere schimmen in het team deed wel eens iets voor me. Toch denk ik dat mijn teamleden niet erg blij met me zijn. Er moeten targets gehaald worden en, zoals ik al zei, heb ik werkelijk geen enkel idee wat ik doe. Dus volgde een tweede gesprek. Daarin heb ik afgesproken dat ik lijstjes maak met de dingen die goed gaan en met de dingen die niet zo goed gaan. Daar ben ik braaf mee begonnen. Alleen kwam er op het eerste lijstje niks en op het tweede lijstje maar één ding: alles.

Dat viel niet echt in goede aarde bij het management-tweetal, en vorige week werd me een ultimatum gesteld. De tijd van helpen was voorbij en ik kreeg nog een laatste kans om te laten zien dat ik wel mensen gelukkig kan maken, anders lig ik eruit.”

De schim zag er niet droevig uit. Ik wist helemaal niet of schimmen ook verdriet hadden, maar deze had geen verdriet.

“En? Heb je het wel?” Vroeg ik.

“Wat?”

“Nou, passie voor het gelukkig maken van mensen. Ze zeiden toch dat je daar niet genoeg van had? Is dat zo?”

“Eerlijk gezegd interesseert het me geen ene flikker of iemand gelukkig is of niet,” schim haalde de schouders op.

“En ik ben zeker je laatste kans?” Het was me duidelijk, ze hadden hem op een doodlopend spoor gezet, een onmogelijke missie, om van hem af te komen.

“Hoe raad je het?” Ik dacht even een lach te horen, “daar wordt je zeker wel gelukkig van?”

Ik herhaalde mijn theorie dat ze van de schim af wilden en dus een hopeloos geval hadden uitgezocht, ik, waar geen eer aan te behalen viel.

“Dat zou best kunnen,” naast me ging schim overeind zitten en schonk ons nog eens bij, “ben je zo ongelukkig dan?” Ook al ging het gesprek al een tijdje over mensen gelukkig maken, en had ik zelf de conclusie getrokken dat ik een hopeloos geval was, het besef dat ik niet gelukkig was kwam toch binnen. Ik zag mezelf niet als ongelukkig.

“Het ligt er maar aan hoe je die definitie stelt,” ik kende het type gesprekken dat de schim met zijn manager moest voeren, “hoe wordt gemeten of iemand gelukkig is?”

“Daar is een index voor.”

“En waar sta ik?”

“Ergens op tien procent of zo, ik heb je dossier eigenlijk niet gelezen voor ik besloot een drankje met je te doen.”

“En wat moet je doen om je baan te houden?”

“Jij moet ergens in de middenmoot eindigen. En als dat lukt mag ik tot het einde van het jaar blijven om te laten zien dat ik het in me heb.”

“De middenmoot?! Hoezo?!”

De schim ging nog rechter op zitten en keek me voor het eerst aan. Het zwarte gat, zonder gelaat of andere trekken, draaide weg.

“Ja, weet ik veel. Wat mij betreft blijf je wat je bent, of wordt je een uitgeteerd, miserabel misbaksel van een mens. Of wordt je hypergelukkig met alleen maar mooie spullen en een perfect leven. Ik geef er geen zier om, en ik kan je ook niet helpen want ik heb geen idee hoe ik je gelukkig moet maken. Vanaf volgende week moet ik iets anders gaan doen met mijn tijd.”

Schim hief het glas en ik proostte. Een tijd lang werd er niet gesproken. Ik was me bewust van de situatie van de schim en had het wel met het of hem of haar te doen. En ik was wel benieuwd of ik echt zo laag op de geluksindex stond. Het getal van tien procent zweefde een beetje voor mijn geestesoog heen en weer. ‘Nog tien keer zo gelukkig worden, zou dat wat voor mij zijn,’ vroeg ik me af. Ik had altijd een flinke reserve bij mensen die altijd blij zijn en zag mezelf al de hele dag gelukzalig lachend door het leven gaan. Dat beeld voelde vreemd aan en ik was stiekem blij dat schim een prutser was, want anders had ik misschien irritant gelukkig teruggekomen van vakantie. En daardoor zouden allemaal mensen aan me gaan vragen wat er gebeurd was op mijn vakantie en dan moest ik met allemaal mensen gaan praten terwijl ik juist wil dat ze me met rust laten.

“Schim,” ik liet de glazen nog eens vollopen, “hoe maken andere schimmen mensen gelukkig? Niet door een borrel met ze te drinken, neem ik aan.”

“Nee! Contact is absoluut verboden. Er zijn twee manieren. Je kan de levens van andere mensen wat bijsturen zodat jouw project het beter krijgt en daardoor ontvankelijker is voor trillingen.”

“Trillingen?”

“Ja, ik heb de macht om je een heel klein beetje van je stuk te brengen, een korte trilling te geven die ervoor zorgt dat je heel even iets in een ander perspectief ziet. Alsof je een fractie van een moment een andere kijk de zaken hebt. Het werkt bijvoorbeeld goed bij schrijvers die last hebben van een writer's-block. Of je kan er iemand verliefd mee maken. Liefde op het eerste gezicht, noemen jullie dat.”

“En dat kan jij dus?”

“Technisch wel ja, het is me alleen nog nooit gelukt om dat op het juiste moment te doen.”

“Een keer is het wel gelukt, toch?”

“Oh ja,” schim knikte, “maar dat was puur geluk.”

Nu hoorde ik duidelijk een lachje, en ik moest er ook om grinniken. Ik mocht schim wel.

“Geef mij dan maar eens een flinke trilling,” stelde ik voor.

“Dat kan echt niet hoor, ik heb geen enkel idee wat er dan gebeurt.”

“Nou en? Ik ga even pissen en een paar blikken bier halen in de all-night-bar en daarna geef je me een trilling. En dan kijken we wel waar het op uitdraait. Tien procent? Daar kan je niet veel aan verpesten. Wie weet doe je per ongeluk wel precies het juiste en ben ik de gelukkigste mens op aarde.”

“Ja, ja, en dan moet ik uitleggen wat ik heb gedaan en waarom en dan ontslaan ze me alsnog omdat we samen een biertje hebben gedronken.”

“Juist!” Ik stond op om naar de bar te gaan. “Naar de klote gaan we toch, en als er gelukkig van word dan ben ik dat dankzij jou.”

In de bar was niet veel te doen. Er zaten een paar oude mannen te kaarten en een verliefd stel in een hoekje te vozen. Ik haalde een sixpack halve liters want ik had niet echt veel verwachtingen van de trillingen van schim. En bezopen worden kon altijd nog. Terug bij mijn tentje verwachtte ik half dat schim weg zou zijn, dat het een hersenschim geweest zou zijn en dat ik alleen verder zou moeten drinken.

“Gek,” ik ging zitten, opende een blik en gaf het aan schim, “toen je hier nog was toen ik terug kwam werd ik even blij. Misschien doe je je werk op deze manier juist wel heel erg goed. Ben je een vernieuwer in schimmenland.”

“Zo werkt het niet helemaal, maar toch fijn om te horen. Je index zal met een paar procentpunt gestegen zijn.”

“Nou,” ik opende een blik voor mezelf en proostte, “kom maar op met die trilling.”

En voor ik het wist werd ik duizelig. Alsof ik werd bedolven onder ijskoud water op een warme dag. Alsof de kleuren van de wereld niet meer bestonden en ik wijs moest worden uit een palet aan grijstinten om te bepalen wat ik zag. Er was geen tafeltje meer en ook geen stoelen en tenten en campings. Al die begrippen bestonden niet meer want alles was abstract en betekenisloos. Ik zag mijn biertje in mijn hand niet meer maar ik zag waar het water, de hop en het graan en de gist vandaan kwamen. Ik zag niet alleen het hele productieproces maar ook de persoonlijke geschiedenis van de gistcellen en de reis die elke waterdruppel door de geschiedenis had afgelegd om in dit blik goedkope pils terecht te komen. En dat was niet alles. Ik zag ook de hele toekomst van het bier in mijn hand, en van de bomen en het gras om me heen. Ik zag wat er over tien jaar met mijn tent zou gebeuren en hoe de wereld erbij zou liggen als wij allemaal allang dood en vergeten zijn. De flits duurde misschien niet lang en misschien zat ik honderd jaar als versteend te kijken naar het groeien van het gras en het sociale leven van de beestjes onder mijn voeten. Daarna was het weer gewoon. Schim zat naast me en keek mijn kant op.

“Dat wil ik altijd wel kunnen zien,” was het eerste wat ik uit kon brengen.

“Dan wordt je knettergek,” zei schim.

“Ik zit al de hele avond met een schim te kletsen over gelukkig worden, ik ben echt al ver genoeg heen om meer experimenten mee te doen.”

“Daar zit wat in,” en zonder aankondiging gaf schim me nog een trilling. Dit keer heftiger dan de vorige.

Ik zag het heelal ontstaan en vergaan en ik zag een ander ras de aarde bewonen, miljoenen jaren na ons. Ik zag de gedachten van een mier die solitair wilde leven terwijl zijn kolonie elke vorm van individualiteit verbood. Ik had alle kennis van de wereld. En ik had alle kennis die nog niemand had en alle kennis die iedereen ooit had.

“Hebben ze jou wel eens verteld dat je met wat subtiliteit een stuk verder komt dan met dit soort mokerslagen?”

“Dat is dus de kern van het probleem,” schim nam een slok bier, “om te weten hoeveel trilling je iemand moet geven, moet je je inleven in je project. En ik heb nog nooit een project gehad waar ik me ook maar een heel klein beetje voor interesseer.”

“Mooi,” ik dronk snel mijn eerste blik leeg, “geef me nog maar een dreun dan, de hardste die je kan geven.”

Het werd zwart voor mijn ogen. In het zwarte niets bestond alles tegelijk en dat was teveel voor mijn hersens om te verwerken. De oneindige hoeveelheid indrukken tegelijk maakten me blind en alle geluiden, gedachten en gesprekken ter wereld tegelijk maakten me doof.

Ik weet niet hoe lang ik zo heb gezeten maar het was al licht toen ik wakker werd. Naast me stonden de twee halve liters waar ik niet aan toe gekomen was. De andere blikken waren leeg. Ik had dorst dus wilde ik een van de blikken pakken. Tot ik me besefte dat het geen dorst was. Ik voelde de trillingen in mijn eigen lichaam, net zoals ik de afgelopen uren het hele universum had gevoeld. Ik zag de glans en het leven om me heen vibreren. Het duurde even voor ik gewend was aan het beeld van de werkelijkheid. De werkelijkheid van voor mijn ontmoeting met schim, en de trillingen die ik over alles heen kon waarnemen. Ik testte mijn nieuwe vermogen en stuurde mijn nieuwe zicht naar een grasspriet een eindje van me vandaan. Met een beetje aandacht kon ik voelen wat het plantje wilde, en met nog wat meer aandacht kon ik de groei van zijn wortels sturen naar een plek waar meer water en voedel was. Ik zag het plantje opleven.

Het kostte me de paar dagen na het incident wat moeite om de twee werkelijkheiden van elkaar te kunnen scheiden. Ik had een 'normale' modus als ik de krachten die ik van de schim had gekregen onderdrukte. En ik had mijn 'schimmige' werkelijkheid, waarin ik kon zien hoe de trillingen rond mensen, dieren en planten vloeiden. Elke trilling golfde uit en beinvloedde andere trillingen van andere mensen, dieren of planten.

Als ik door mijn oogleden keek zag ik de trillingen netzoveel als ik ze voelde. Ik kon ze subtiel manipuleren en gebruikte dat om mensen gelukkig te maken. Ook een beetje uit eigenbelang want gelukkige mensen waren meer geneigd om me te helpen of te laten mazzelen. In een boze bui leerde ik dat ik andere trillingen ook negatief kon laten bewegen om zo destructief invloed uit te oefenen. En ik merkte dat geluk beter werkte. Ik werkte uitsluitend met geluk, omdat dat het beste resultaat gaf.

En schim? Daar dronk ik nog wel eens een biertje mee. Op hetzelfde plekje waar we elkaar voor het eerst ontmoetten. Hij vertelde me dat zijn manager en teamleider hem hadden gecomplimenteerd voor zijn keuze om zijn krachten op mij over te doen want ik was een behoorlijk winstgevend project aan het worden zo. Hij heeft nu niks meer te doen, en is daar helemaal tevreden mee. En ik? Ik ben best gelukkig. Ik ben niet hyperblij en ik loop ook niet de hele dag gelukzalig te lachen. Zo ergens rond de middenmoot is prima, heb ik gemerkt.