Starende ogen
di 16 april 2019
By: Wouter
In: Stories
Tags: #verhaal #utopie

  Estimated read time: 8 min.


Starende ogen

Het was een dag als alle andere en toch was het deze dag die bij een aantal mensen die toevallig op dezelfde plaats waren die dag zou blijven beklijven. In een huis in de stad zat een student, Sander de Vlinder genaamd, druk te studeren. Hij leerde snel en was nu zijn derde studie aan het doen, en al de tijd dat hij met andere studenten in huis woonde, deed hij ook de studies van zijn huisgenoten erbij. Je zou kunnen zeggen dat Sander een spons voor kennis was. En hij had er ook plezier in.

Sander was een echt binnenmens. De reclame zegt dat die niet bestaan en toch is Sander liever binnen dan buiten. ‘Waarschijnlijk is de onderzoeker tot de conclusie gekomen dat binnenmensen niet bestaan, door alleen maar buiten te zoeken naar specimen,’ dacht Sander. Dat leek hem een heel redelijke verklaring. Buiten zijn kamer was er niks wat Sander kon bekoren. Hij moest natuurlijk soms het huis uit om gewone dingen te doen. Boodschappen en dergelijke, daar ontkwam hij niet aan. Alle geleerdheid kon niet voorkomen dat hij moest eten.

Op dinsdagochtend, tussen kwart voor tien en half twaalf was het rustig in de winkel waar hij zijn boodschappen deed. Dat had hij uitgezocht. Niet zelf uitgezocht want dat was al door iemand anders gedaan. Sander had het geleerd, hij wist niet meer precies hoe maar dat geeft niet. Hij kon onmogelijk alles onthouden en ook nog onthouden hoe hij het geleerd had. Dus op het rustigste moment van de week deed Sander boodschappen. En het gekke was dat hij juist op de meest rustige tijd iemand tegenkwam die zijn hele wereld op zijn kop zou zetten. Gewoon in het gangpad bij de ingeblikte groenten, net tussen de sperziebonen en de kapucijners stond daar ineens een meisje met sproeten en een mooie rode mond. Ze stond te staren, naar hem. En hij staarde terug. Dat duurde even, tot er een oudere dame met haar karretje langs moest. De betovering leek verbroken en Sander en het meisje gingen elk huns weegs.

Die middag was de eerste middag in hele lange tijd dat Sander niks gestudeerd kreeg. Het lukte hem niet om zich te concentreren op het proefschrift over quantummechanica wat hij voor zich had liggen. Hij staarde uit het raam en zag niks dan de starende ogen van het meisje uit de winkel. Dat duurde even en Sander werd onrustig. Hoe kon het nou dat hij niks kon leren als hij aan de starende ogen van het meisje dacht?

Sander had maar een manier om met deze rare onzekerheid om te gaan, en de volgende dag begon hij te lezen en te lezen tot hij erachter kwam wat er aan de hand was; hij was verliefd! ‘Dat moet het zijn,’ dacht hij bij zichzelf. Die dag besteedde hij aan het verzamelen van alle studies en boeken en kennis en essays en werken die handelden over de liefde. Het viel hem op dat er veel over nagedacht werd maar weinig concreet over te weten te komen was. Dat was vreemd, maar wat nóg vreemder was? Sander leerde niet heel veel over de liefde. Wel was er voldoende beschreven over de biologie achter de liefde. Feromonen en een verhoogde hartslag. En over de dierlijke noodzaak om te zorgen voor het nageslacht waaruit de mens in de loop der evolutie een aantal sociale structuren heeft doen ontstaan zoals het huwelijk en de monogamie. En natuurlijk dook hij in de literatuur, het enige vakgebied dat zich voor een groot deel met de liefde bezig hield. En toch leerde Sander helemaal niks over zijn eigen toestand. Iedereen schreef maar wat en maakte liedjes en gedichten en geen van die romans, liedjes of gedichten ging over hèm. De hele week zat Sander op zijn kamer te leren en het enige wat hij leerde was dat hij nergens wijzer van werd. Tot het weer dinsdag was en de klok half tien aangaf.

In de winkel, in het gangpad van de ingeblikte groenten precies tussen de sperziebonen en de kapucijners in, stond ze te staren met haar mooie grote ogen. Net zoals ze de eerste keer had gedaan. En Sander kon weer niks anders dan terug staren. Dit keer was er geen oude dame die er langs wilde, het was immers erg rustig in de winkel. Dus konden het meisje en Sander rustig naar elkaar staren. Hij had nergens gelezen dat staren hoorde bij de liefde, staren zoals hij en het meisje dat konden, en hij leerde weer iets over zijn eigen liefde. Iets dat niemand wist. Misschien wist het meisje het maar dat was het dan ook. Er was niemand in de winkel die ze kon zien staren en daarom wisten zij alleen dat staren een uiting van hun liefde was. Tot het drukker werd in de winkel en ze weer allebei gingen naar waar ze vandaan kwamen.

Sander las en las en las. De hele de week die volgde op de tweede ontmoeting met het meisje met de starende ogen las Sander alles wat er te lezen was over de liefde in het algemeen en staren in het bijzonder. Hele nachten bleef hij studeren en nergens las hij dat er een verband was tussen verliefdheid en in een winkel naar elkaar staren. De week ging in een flits voorbij en op dinsdagochtend keek Sander naar de klok. Je zou kunnen zeggen dat hij zat te staren. Om precies half tien ging hij de deur uit om naar de winkel te gaan. Onderweg bedacht hij zich een heleboel dingen. En alle dingen hadden te maken met de liefde en het meisje met de sproeten. Precies tussen de sperziebonen en de kapucijners in het gangpad van de ingeblikte groenten stond ze. Hij liep naar de plek waar hij vorige week en de week daarvoor ook al had gestaan en staarde naar haar. ‘Niemand beleeft de liefde zoals wij hem beleven,’ dacht Sander, en zijn hart maakte een sprongetje. ‘Onze liefde is uniek,’ en op het moment dat hij daaraan dacht kreeg Sander het benauwd. ‘Als ik één unieke liefde niet kan begrijpen, en dat terwijl het mijn eigen liefde voor een meisje met sproeten en een mooie rode mond is,’ in zijn gedachten voelde hij de klap al aankomen, ‘hoe kan ik dan ooit de liefde bestuderen?’

“Er zijn miljarden liefdes,” zei hij hardop, “en niet een zoals die van ons.” Sander begon te huilen. Eerst voelde hij een traan over zijn wang lopen. Het was de eerste traan die hij liet omdat hij nooit alle liefde in de wereld zou kunnen begrijpen. En daarna stroomden de tranen hem over de wangen.

Het meisje wat naar hem had staan staren zag zijn verdriet en werd zelf ook verdrietig. Ze liep naar hem toen en sloeg haar arm om hem heen. “Ik hoef niet meer liefde dan die van ons,” zei ze. Ze draaide zijn hoofd langzaam naar zichzelf toe en keek hem in zijn ogen. Haar mooie rode mond raakte die van hem en ze kusten. Sander schrok er niet van, hij had al gelezen dat dit een gevolg kon zijn van de liefde, en hij accepteerde dat. Hij wilde nadenken over de simpele handeling van het meisje. De minieme beweging die ze had moeten maken om ervoor te zorgen dat ze, midden in de winkel, in het gangpad van de ingeblikte groenten, precies tussen de sperziebonen en de kapucijners in, elkaar kusten maar het lukte hem niet. Hij kon nergens anders meer aan denken dan aan het moment waar ze nu in zaten. En Sander had niks meer aan zijn kennis. Het was allemaal waardeloos geworden toen haar lippen de zijne raakten. Jarenlang had Sander een fort van kennis gebouwd waar hij zich achter kon verschuilen. Hij had zijn hele volwassen leven geprobeerd de wereld om zich heen te begrijpen door die te bestuderen en te leren van wat anderen hadden onderzocht. En nu was daar niks meer van over. Hij voelde iets scheuren, alsof er eerst haarscheurtjes waren ontstaan in zijn bastion van kennis. En dat die haarscheurtjes door de druk in zijn hoofd steeds groter werden.

Het meisje sloeg haar armen om zijn nek en ze zoenden. Sander leerde zoveel van die ene zoen dat het niet meer te houden was. De dam van kennis in zijn hoofd kon het niet aan. Het was alsof er een vuurpijl afging in de stille winkel. Er klonk een hard sissend geluid en daarna een enorme knal. Sanders hoofd was open en het meisje, haar mooie ogen en de kus die ze hem gaf duwde alles wat hij geleerd had uit zijn hoofd. De studies over quantummechanica waar hij met zoveel plezier over had gelezen vlogen door de lucht en kwamen neer bij een vrouw die op haar vrije ochtend aan het winkelen was. Ineens vroeg ze zich af of haar waarneming van hetgeen ze zou gaan bakken die ochtend ook werd beïnvloed door haar proeverij.

Een man met zijn acht maanden oude dochter in de draagzak snapte de structuren en de werking van complexe financiële systemen, een hobby van Sander na zijn studie economie van een paar jaar eerder. Het eerste woordje van de baby zou later balanssoliditeit zijn. En in de jaren erna, als ze samen waren, konden ze heerlijk kletsen over kapitaalgedekte pensioenen en het proces van internationalisering.

Een wat ouder echtpaar wat de winkel binnen was gekomen voor een ijsje werd vol geraakt door de gehele studie filosofie die Sander had gedaan. Daar was hij mee begonnen toen hij op zijn achttiende naar de universiteit ging en hij was tijdens al zijn studies daarna de filosofen blijven lezen. Een golf van kennis over een paar eeuwen filosofie spoelde over de ouwetjes heen. “Ik kan niks zeggen over dit ijsje, alleen wat het met me doet,” zegt de oude man terwijl hij een likje neemt. “Waarover je niet kan spreken, daarover moet je zwijgen,” zegt zijn echtgenote met haar arm in de zijne. Samen lopen ze de winkel uit en het is een mooie zonnige dag.

En Sander? Die wist niks meer.