Meneer Schoefs laatste kans
wo 04 september 2019
By: Wouter
In: Stories
Tags: #verhaal #probeersel

  Estimated read time: 9 min.


Meneer Schoefs laatste kans

Meneer Schoef had een vast ritme. Hij ontbeet met een geroosterde boterham en las de krant. Daarna ging deed hij zijn jas aan en zijn hoed op en ging wandelen, elke dag. Ook vandaag liep hij zijn vaste ronde langs het tankstation het bos in, achter het ziekenhuis langs en weer terug door de groene weide en langs de stoplichten naar huis. Meestal gebeurde er niks en liet hij zijn gedachten de vrije loop. Meneer Schoef was geen groot denker, althans dat vond hij zelf. Hij dacht wel veel na over de dingen maar grootse inzichten had hij nooit gehad. Hij vroeg zich soms wel eens af waar al dat denken goed voor was. Tot hij zich realiseerde dat hij liep te denken over denken. En daar stopte hij mee. Hij kon zijn dagen toch niet vullen met dit soort mijmeringen? Hij liep liever. Het bos was rustig en Meneer Schoef kon in de verte de polder met z'n weilanden en slootjes zien. Op een van zijn favoriete plekjes stond hij even stil. Dit was een plekje dat zoveel te bieden had, een weids uitzicht op een open plek omzoomd met bomen waar je heerlijk uit de wind in het zonnetje kon staan. De stilte in Meneer Schoefs hoofd was aangenaam. Een moment als dit duurde eeuwig ook al was het maar een ogenblik.

Er kwam een vogeltje luidruchtig aanvliegen, hij ging op een tak niet ver van Meneer Schoef zitten. Hij hield zijn kop schuin, zijn blik gevestigd op de mediterende man. Midden op zijn kop, in het verlengde van zijn snavel, had het vogeltje een opvallend rode streep. Pas toen Meneer Schoef zijn ogen open deed maakte het vogeltje een vrolijk geluidje. Meneer Schoef zag het vogeltje nu ook.

"Hallo kleine vriend," knikte Meneer Schoef hem toe, "kom je hier ook om van de rust te genieten?"

"Drie," twitterde het vogeltje en hij sloeg drie keer met zijn vleugels, "drie!"

Meneer Schoef geloofde zijn oren niet. Had dat vogeltje nu echt het woord drie gesproken? Of was het zijn verbeelding? Het zweet brak hem uit en hij wiste zijn voorhoofd met de schone zakdoek die hij elke ochtend in zijn broekzak deed. Hij wist best dat zijn fantasie soms met hem op de loop ging, dus hij wilde het afdoen als een hersenschim, toen het vogeltje nog een keer duidelijk 'drie' zei en wegvloog. De weg naar huis kon Meneer Schoef zijn gedachten er niet bijhouden. Hij bleef malen over de vreemde gebeurtenis. Bijna liep hij door een rood stoplicht. Een jongen die op de fiets stond te wachten pakte hem net op tijd bij zijn schouder toen hij de weg op liep. Een auto moest uitwijken en bijna had Meneer Schoef terug naar het ziekenhuis gekund, of erger. Dood, daar dacht Meneer Schoef aan toen hij bij zijn positieven kwam van de schrik. Drie, dacht Meneer Schoef. Drie.

Thuis zette hij een kop koffie. Dat deed hij elke dag als hij terug kwam van zijn wandeling. Dit apparaat is al bijna antiek, dacht hij, het maakte hem rustig. Vandaag had hij de troost van zijn eigen ritme en gewoontes extra nodig. Het getal drie kwam ineens overal waar hij keek terug. Op de suiker stond er een, in de boekenkast stond er een op de rug van een dik boek en zelfs de klok had er een. Er stonden drie rode auto's geparkeerd in de straat en drie kaarsen op zijn eettafel. Die kaarsen stonden er altijd al maar nu leken ze hem toe te schreeuwen.

Om niet doof te worden van zijn eigen gedachten ging Meneer Schoef, geheel tegen zijn vaste ritme in, in de voorkamer zitten met zijn kopje koffie. Daar kon hij even tot rust komen. De auto's waren uit zijn blikveld verdwenen en de kaarsen kon hij niet meer zien. Voor het eerst sinds zijn ontmoeting met het vogeltje dacht hij even aan iets anders. Hij keek door het raam aan de voorkant van zijn huis en bedacht zich dat hij de heg zou kunnen snoeien die middag. De tijd na de lunch was ingeruimd voor klusjes zoals boodschappen en huishoudelijk werk. Toen hij eenmaal bezig was met zijn heggenschaar en hark was de vreemde ochtend snel vergeten. Ook dat was de zalvende kracht van zijn ritme. Na de maaltijd ging Meneer Schoef nog een kruiswoordpuzzel maken en daarna naar bed. Hij droomde van een vreselijk ongeluk bij de stoplichten op de hoek voor het ziekenhuis. Een man liep onder een auto en was op slag dood. Het bloedspoor op de weg had een kenmerkende vorm die Meneer Schoef in zijn droom niet thuis kon brengen.

De volgende ochtend, na het ontbijt, liep Meneer Schoef langs het tankstation het bos in. In de schaduw van de bomen kreeg hij even een koude rilling. Alsof er een tocht langs zijn nek waaide, zijn kraag in, over zijn ruggengraat naar beneden. Meteen verwierp hij zijn eerste gedachte, het vogeltje, en nam zich voor om die middag de winterspullen maar eens van zolder te halen. Het wordt kouder, zei hij in gedachten tegen niemand. Bij de open plek scheen de zon en in alle rust sloot Meneer Schoef zijn ogen. Hij dacht nergens aan. Niet aan drie of vogeltjes, niet aan ongelukken en koude rillingen. Maar toen hij zijn ogen weer open deed zat daar het vogeltje, zijn koppie schuin, de rode streep op zijn hoofd was verdwenen en er liepen twee zwarte langgerekte vlekken onder zijn ogen naar een punt op zijn snavel. Het leek een aanwijzing want de punten wezen schuin naar de grond. Meneer Schoefs ogen werden naar de plaats getrokken waar de lijnen samenkwamen op de grond. Er lag voor hem in het zand een Romeinse twee van afgevallen takjes. De koude rilling in zijn nek was meteen terug en met een ruk keek hij naar het vogeltje.

"Twee," twitterde het vogeltje met een bijna menselijke stem, "twee." En voor Meneer Schoef iets kon zeggen was het vogeltje er al weer vandoor.

Zo voorzichtig als hij kon wandelde Meneer Schoef naar huis. Bij elke oversteekplaats keek hij extra uit en zelfs bij het groene stoplicht wachtte hij tot de weg helemaal vrij was. Bibberend zette hij een kop koffie voor zichzelf in de keuken. Verdoofd door zijn tweede ontmoeting met het vogeltje staarde hij naar het koffiezetapparaat. Het lampje was aan, maar er klonk geen gepruttel. Meneer Schoef boog zich over het apparaat en zag dat het snoer nogal vergaan was. Zonder na te denken stak Meneer Schoef zijn hand uit en probeerde de draad te pakken. Wat er precies gebeurde dat wist hij niet meer maar ineens was daar een flits. Twee halfvergane koperdraden hadden contact gemaakt met elkaar en elektriciteit spetterde in het rond. Meneer Schoef voelde pijn en hij schrok. In een reflex probeerde hij zich vast te grijpen aan de wasbak maar zijn hand greep in het niets en hij viel achteruit. Verdwaasd van de schok bleef hij daar liggen. Pas toen hij weer een klein beetje bij bewustzijn was realiseerde hij zich wat er was gebeurd. Zijn arm deed vlammende pijn. Met zijn rechterhand pakte hij zijn pijnlijke linkerarm vast en toen hij die omdraaide zag hij twee markante zwarte strepen over zijn onderarm lopen. De elektriciteit had een Romeinse twee op zijn onderarm gebrand.

Het koffiezetapparaat was op zijn kant gevallen en het snoer was nu helemaal opengebroken. De draden lagen vlak bij elkaar tegen de metalen rand van de wasbak aan. Als hij niet was gevallen had de stroom zich een weg gezocht van zijn ene hand naar zijn andere, dwars door zijn hart heen, naar de wasbak. Dan was hij dood geweest. Met die realisatie kwam ook de klap. Met een mokerslag van emoties zag hij in dat het vogeltje iets te maken had met de ongelukken die hij gisteren en vandaag had gehad. De rode streep uit zijn droom en de vlek op de kop van het vogeltje. Het was geen toeval.

Het duurde lang voor Meneer Schoef in slaap viel. Zijn dromen werden geplaagd door flitsen van elektrische ontlading en de geur van brandend vlees. En telkens hoorde hij de bijna menselijke stem van het vogeltje. Doodmoe werd hij de volgende ochtend wakker. Hij at wat er over was van de halve maaltijd die hij gisteren had laten staan. Geheel tegen zijn gewoonte in was hij niet verder gekomen dan een paar happen voor hij doodmoe naar bed ging. Zelfs een kruiswoordraadsel was teveel voor hem geweest. Zijn arm deed geen pijn meer. In de keuken leek het litteken wat meer te jeuken dan elders in huis, iets waarvan Meneer Schoef dacht dat hij het zich inbeeldde. Zonder zijn jas en hoed ging hij de deur uit. Hij aarzelde bij het tankstation en tegen zijn gewoonte in liep hij door naar de volgende straat waarna hij op een andere plek dan normaal het bos in ging. In de schaduwen van de bomen vond hij de rust die hij sinds de schok van gisteren niet meer gevoeld had. Een tijdje dwaalde hij over paadjes die hij vroeger wel eens bewandeld had maar al lang niet meer had betreden. En toch voerden zijn dwalingen hem naar die ene open plek in het bos waar hij niet naartoe wilde. Hij werd getrokken door een vreemde kracht of door zijn eigen nieuwsgierigheid. Als ik dood moet vandaag, dacht hij, dan moet ik dood. En met die simpele filosofie ging hij staan en sloot zijn ogen.

Het duurde niet lang voor hij geritsel hoorde. Meteen opende hij zijn ogen. Het vogeltje zat daar weer, zijn kopje schuin. Tussen zijn ogen geen rode streep en geen zwarte lijnen, er was niets. Op het hoofdje van het beest zat geen tekening maar het was een grote leegte, een gat zonder bodem. De kraaloogjes van het vogeltje boorden zich met een intense blik in de ogen van Meneer Schoef.

"Ik heb geen ritme meer," prevelde de bevende man. Het vogeltje begon zijn snavel te openen. Ik wil niet dood, dacht Meneer Schoef. Hij graaide in zijn broekzak en met snelle beweging gooide hij zijn zakdoek over het vogeltje heen. Voorzichtig pakte hij het beestje op en verborg het onder zijn trui. Zijn hart klopte als een waanzinnige en zijn hoofd liep over van de gedachten. Moet ik hem vermoorden? Of in een kooitje houden, bij mij thuis? Of moet ik zijn snavel dicht plakken? Hij besloot het vogeltje mee te nemen naar huis. Daar had hij een kooitje dat ooit voor een kat was geweest.

Zonder enig plan of vastomlijnd idee stond Meneer Schoef op. Vaak keek hij even de woonkamer in of het vogeltje nog in zijn kooitje zat, maar vaak deed hij dat ook niet. Het lag er maar aan hoe zijn dag was. Hij genoot van elk moment. Soms liep hij uren door de stad, of door het bos. Soms zat hij de hele dag te puzzelen of ging hij dineren in een restaurant. Zijn leven zat vol met onverwachte wendingen en spontane beslissingen. Er was geen ritme meer, zijn vaste patroon was vervangen door een aaneenschakeling van kleine geluksmomentjes. Het enige wat elke dag terugkeerde was de droom die hij droomde sinds het vogeltje gekooid in zijn woonkamer stond. In zijn droom werd Meneer Schoef wakker, het was elke keer weer zo levensecht dat hij zich vaak pas realiseerde dat hij droomde als de droom voorbij was. En de droom eindigde elke keer hetzelfde. Hij stak zijn hoofd om de deur van de woonkamer om te kijken of het vogeltje er nog was. Maar er was geen vogeltje meer. De kooi stond leeg op het dressoir waar hij het die ene dag had neergezet. Te laat ontdekte hij dat er ook geen woonkamer meer was maar een eindeloos diep gat. Zonder dat hij zich ergens aan vast kon grijpen viel hij voorover. En hij bleef vallen, tot hij gillend wakker werd.